Juni 2012 | Precisielandbouw op de Akkerbouwvelddag PPO-Lelystad Bij presentaties op de Akkerbouwvelddag van 27 juni jl. in Lelystad lag het accent op gewassensing, vooral met het oog op geleide bemesting. De achterliggende gedachte is, om te komen tot een betere benutting van aangeboden nutriënten. De drijvende kracht achter het onderzoek is de Nederlandse (Europese) mestwetgeving. Het is natuurlijk een goede zaak om kennis en gereedschappen te hebben om de ruimte die de huidige en toekomstige mestwetgeving biedt zo goed mogelijk te benutten.
HWodKa-akkerbouwers beschouwen deze materie, als ondernemers, vanuit een ander gezichtpunt en met andere, hoewel niet tegenstrijdige doelen. Bij hen gaat het er om, om de bodem zo goed mogelijk te benutten. Nieuwe gewassensing technieken openbaren meer of minder grote ruimtelijke variatie in de ontwikkeling van een gewas op een perceel. Voordat je echter maatregelen treft moet je je afvragen wat de oorzaken zijn van die variatie. De antwoorden liggen vooral in de bodem verborgen.
Voor de Nederlandse boer bestaat de winst van precisielandbouw uit verbetering van de bodemkwaliteit en verbetering van de benutting van het bodempotentieel
Maar de kost gaat voor de baat. Voor de boeren betekent dit, dat meer kosten gemaakt zullen worden voor bodemonderzoek en -verbetering, op sub-perceelschaal. Voor kennisinstellingen betekent dit dat meer kosten gemaakt moeten worden voor kennisontwikkeling over de bodem. Het in kaart brengen van bodemvariatie op perceelschaal is eigenlijk nog een vrij onontgonnen gebied. Vooralsnog geven alleen hoogtekaarten nauwkeurige informatie over de variatie van één aspect van de bodem: de vlakheid. Alle andere ruimtelijke bodemsensingtechnieken staan nog in de kinderschoenen.
Eén van de HWodKa-akkerbouwers liet onlangs bodemmonsters nemen op basis van een kostbare WDVI-kaart van zijn perceel. De WDVI-kaart was afgeleid van een remote sensing beeld van 2 augustus 2011, met een resolutie van 2 x 2 m en beschikbaar gesteld via het Programma Precisielandbouw (PPL). Bij de keuze van de monsterlocaties maakte hij onderscheid tussen plekken die volgens de WDVI-kaart relatief veel en weinig biomassa voortbrachten. Uit eerdere waarnemingen wist hij al, dat de beworteling en daarmee samenhangend de vochtvoorziening op de minder presterende plekken te wensen over liet. Dit kon afgeleid worden uit de indringweerstand, aangevuld met een visuele beoordeling van het bodemprofiel door DLV-bodemdeskundige Nelis van der Bok. De analyse van de bodemmonsters door Altic wees uit, dat de minder presterende plekken ook nog een opvallend lage beschikbaarheid aan fosfor en kali lieten zien. Zo laag, dat een bijmesting met kali, zwavel en mangaan (in wintertarwe!) uitgevoerd werd. Uit eerder bodemonderzoek, met een mengmonster waarbij geen rekening was gehouden met ruimtelijke variatie, kwam als resultaat naar voren, dat de P- en K-toestand meer dan voldoende was.
Eén van de doelen van HWodKa-akkerbouwers is om op bonte percelen onderscheid te maken tussen zones met een hoger en een lager opbrengstpotentieel en daar de bemonstering, eventuele bodemverbetering, zaai/pootdichtheid en basisbemesting op af te stemmen. Dat we daarbij naar een kleinere schaal gaan dan de breedte van de spuitmachine of de kunstmeststrooier is voor HWodKa geen punt van discussie meer.
Om het bodempotentieel te benutten moeten de basisinstellingen goed zijn. Bijregelen met water en nutriënten, later in het groeiseizoen, is op kleigronden maar beperkt mogelijk. En dan hebben we het alleen nog over effectiviteit en niet over efficiency! 
Meer nieuws:
|